Het begint steeds vroeger en dan heb ik het over het fenomeen SPELERSCAROUSSEL. Daarmee wordt aangegeven welke spelers er voor een nieuw seizoen zijn aangetrokken, zijn verkast. Bij het aantrekken zijn het vooral de leden van de technische commissie en trainers, die een actieve rol vervullen. Ze voeren gesprekken, beloven gouden bergen, schuwen het noemen van vergoedingen en faciliteiten niet, bepalen de inhoud van contracten, ze zijn er druk mee. Hoe meer spelers er nodig zijn, des te actiever zijn de techneuten op zoek naar versterking. Trots melden zij de pers welke buit er is binnengehaald. In de carrousel heb je niet alleen te maken met de komende spelers, je ziet ook wie er vertrekken en hun heil elders gaan zoeken. Een aparte categorie zijn de vertrekkende spelers, waar geen nieuwe club bij staat. Vaak zijn het de spelers, die met veel tamtam zijn binnengehaald , die de verwachtingen niet hebben waargemaakt of teleurgesteld zijn en die via de achterdeur een club verlaten. Ze komen halverwege een seizoen niet meer opdagen en zijn vertrokken onbekend waarheen.

Het vastleggen van spelers begint steeds vroeger. Spelers van 2de en 3de divisie clubs worden vaak al voor de winter vastgelegd. In het Leidsch Dagblad lees je dan, dat spelers hun contract verlengd hebben of van spelers, die een contract hebben getekend. Waar bij de profs transfersommen worden genoemd en wat de profs gaan verdienen, blijft het op lager divisieniveau opmerkelijk stil. In januari beginnen de hoofdklassers en eerste klassers zich te roeren en naar mate de tijd verstrekt komen de mensen uit de lagere klassen in actie. Ook zij zijn op zoek naar spelers voor hun standaardteam. En omdat er in Leiden en omgeving maar weinig spelers van onder de 19 zijn, is er al gauw sprake van “overbevissing “. Om toch het visquota te halen , komen er spelers uit andere visgebieden, vaak met exotische namen, die je nauwelijks kunt uitspreken.

Waar ik mij over verbaas, is het aantrekken van spelers van andere clubs, terwijl men zelf zich op de borst slaat, dat de jeugdopleiding er zo goed is. Wanneer die jeugd op divisie niveau, eerste klasse niveau acteert, moet je dan nog meer dan 5 spelers per jaar halen om je eerste elftal te versterken? Is er dan gedurende 10-12 jaar opleiding maar wat aangeklooid? En wie neemt hiervoor de verantwoording op zich?

Het zijn zaken, die maar al te graag weggekeken worden. Het directe resultaat voor het eerste elftal is zaligmakend en hoe dat gerealiseerd wordt, daar past geen lange termijnvisie bij. Clubs met meer dan 800 leden moeten mijns inziens in staat worden geacht selfsupporting te zijn. Wanneer die clubs vele spelers van buiten nodig hebben om hun eerste elftal op sterkte te houden, dan is er de jaren er voor veel mis gegaan. In voetbalkringen komt dit met de volgende kreet tot uitdrukking : “Ik begrijp niet, dat die club nog steeds zo laag speelt!!!” Kijk eens hoeveel jeugdelftallen ze hebben.

Ik mis de scherpe vragen van de journalist, die eens informeert bij de leden van de technische commissie, waarom er zoveel versterkingen nodig zijn. Waarom gebruiken jullie geen jeugdspelers en wat is daarvan de oorzaak? Zijn dit pijnlijke vragen? Het geeft duidelijkheid voor de jeugd. Is die opleiding wel zo goed en heb ik kans op een plek in de selectie.

En vraagt de journalist het niet, dan kunnen verontruste ouders nog altijd de Algemene Ledenvergadering gebruiken om kritische vragen te stellen. Het is de manier om invloed te hebben op het ( toekomstig) beleid van de club.

Jeugd opleiden doe je vooral om een representatief eerste elftal te krijgen. Dat is een proces van jaren. 10-12 jaar. Een proces dat dient te worden begeleidt door een hoofd jeugdopleiding onder toezicht van leden van de technische commissie.

Ik word pas enthousiast als de technische commissie meedeelt, dat er ieder jaar 5-8 jeugdspelers de stap hebben gemaakt naar de eerste selectie en zich daar weten te handhaven. Dan heeft de technische commissie van mij het recht om te spreken en blijken er mensen in te zitten, die verstand van zaken hebben. Mensen, waar de aanstormende jeugd op kunnen vertrouwen.

Jan Lovink