woensdag, april 17, 2024
Home'Hans gaat diep'Hans gaat diep (deel 6): Zaalvoetbal in de jaren ’80, dat was...

Hans gaat diep (deel 6): Zaalvoetbal in de jaren ’80, dat was wat…

-

Zaalvoetbal in de jaren ’80, dat was wat…

Leiden was ooit het centrum van het zaalvoetbal. In de sleutelstad speelden in de jaren ’80 tal van topclubs en topvoetballers, die grote aantallen supporters naar de hallen trokken. De meest iconische hal van Nederland stond in Leiden. De Groenoordhal was alom gevreesd en geliefd. Overdag werd daar vee verhandeld, waardoor er ’s avonds tijdens de wedstrijden een geur van koeienstront hing. De vloer was van asfalt. Wie daar onderuit ging, lag behoorlijk open. En het was er koud. Altijd koud. Iedere woensdagavond werden daar van 19.00-23.00 uur op zes velden tegelijk wedstrijden gespeeld. De ballen vlogen voortdurend van het ene naar het andere veld, maar niemand die daarom maalde. De volledige Leidse voetbalwereld was op de vaste doordeweekse dag als voetballer of als toeschouwer in de megahal aanwezig.

De Groenoordhallen werden in 1968 gebouwd op een Landgoed met de naam ‘Groenoord’. Na de voltooiing in 1969 vonden er tal van grote sportevenementen plaats. In 1978 startte de proloog van de Tour de France in de Groenoordhallen. In april 1979 versloeg Parker Leiden het sterke Nashua Den Bosch voor 11.000 toeschouwers in de finale van de play-offs. En in 2006 speelde het Nederlands tennisteam er nog voor de Daviscup tegen Tsjechië.

Daarnaast werd de hal jaarlijks gebruikt voor de nieuwjaarstoernooien die Flip Massaar namens LFC organiseerde. Alle topvoetballers uit de regio kwamen begin januari bijeen om het voetbaljaar aan de Willem de Zwijgerlaan te openen. De NKS werkte er ontelbaar veel toernooien af. En dan waren er die competitiewedstrijden op de vaste woensdagavonden. Topteams als UVS, Lugdunum en Zwarte Wolf namen het op tegen Ceverbo, FV Snoeki en Datagold. Vooral dat laatste team was een bezienswaardigheid. Het Molukse team uit Moordrecht bulkte van het talent. Bobby Matitahatiwen was de beste voetballer van zijn generatie. Hij was international en won de gouden schoen als speler van het jaar. Als Datagold een uitwedstrijd speelde, gingen honderden supporters in bussen mee. Iedere keer als de baltovenaars in Leiden speelden, stonden de toeschouwers drie rijen dik langs het hoofdveld van de Groenoordhal. Dat waren nog eens mooie tijden.

Wie het tegenwoordig met jonge voetballiefhebbers over zaalvoetbal heeft, is snel uitgepraat. Waar de sport vroeger een prominente plaats innam bij zowel voetballers als supporters, zit het spelletje nu ver weggestopt achter Teletekst pagina 849. In de jaren ’80 speelden de toppers uit Leiden en uit de Bollestreek niet alleen op het veld op hoog niveau, maar ook in de zaal. Het was zo logisch dat beide varianten naast elkaar beoefend werden, dat trainers daar automatisch rekening mee hielden.

Anno 2024 is een hoop veranderd. De sport heet inmiddels ‘futsal’, wat afgeleid is van de Spaanse woorden ‘futbol’ (voetbal) en ‘sala’ (zaal). Er wordt tegenwoordig gespeeld met een plofbal, oftewel een dood stuk leer dat nauwelijks stuitert. De wedstrijden in de Eredivisie futsal vinden plaats op vrijdagavond, waarmee meteen al duidelijk is dat een combinatie met het spelen van veldvoetbal erg lastig is. Om die reden is de brede aandacht van spelers en supporters sterk afgenomen. Het futsal is steeds meer een sport geworden voor ‘specialisten’. En ook de Groenoordhallen zijn al lang en breed verdwenen. In 2010 begon de sloop van het complex, om plaats te maken voor huizen. In 2012 was het iconische bolwerk definitief met de grond gelijk gemaakt.

Zaalvoetbal ontstond in de jaren’30 van de vorige eeuw in Argentinië. In de jaren ’60 waaide de sport over naar Nederland. In 1968 werd zaalvoetbal onder de vlag van de KNVB gebracht, maar het duurde tot halverwege de jaren ‘70 voordat een Nederlands team werd gevormd. Het allereerste WK zaalvoetbal werd in 1989 in Nederland afgewerkt. Oranje haalde in Ahoy zowaar de finale, maar verloor daarin met 2-1 van het ongenaakbare Brazilië. In het Nederlands team speelden dat toernooi twee volbloed Leidenaren. De UVS-ers Hans van Leeuwen en Mario Faber waren basisspelers in Oranje. Faber scoorde dat WK liefst drie keer, een ongekende prestatie.

Anno 2024 kunnen we slechts nog met weemoed terugkijken op die goeie ouwe tijd. De sterren van weleer hebben ontelbaar veel goede herinneringen aan het zaalvoetbal van veertig jaar geleden.

Bobby Matitahatiwen: ,,Met ons team maakten wij mooie dingen mee.”

 

Bobby Matitahatiwen (64) was sterspeler van FC Toma, dat later Datarex en Datagold heette. Hij is beleidsondersteuner bij de Nederlandse Zorgautoriteit en woont nog steeds in de Molukse wijk in Moordrecht. Op 27 januari 1983 maakte hij zijn debuut in Oranje. Op die dag werd Italië met 3-0 verslagen. Met veel weemoed kijkt hij terug op zijn voetballoopbaan en op zijn wedstrijden in de Groenoordhal.

‘Ik kijk met heel veel plezier terug op mijn voetballoopbaan. Toma betekent ‘vooruit’ in het Moluks. Later werden wij door Datarex en Datagold uit Bodegraven gesponsord. Met ons team maakten wij mooie dingen mee. Als wij speelden, kwamen uit het hele land Molukse supporters om ons aan te moedigen. Dat gold zowel voor onze thuiswedstrijden in de Zuidplashal, als voor onze uitwedstrijden. Wij waren belangrijk voor de gemeenschap hier. Iedereen was trots op onze prestaties. En wij hadden er veel lol in. Als team vormden wij een zeer hechte eenheid. Op het veld speelde ik bij vv Moordrecht, Olympia en GSV. Ik ben nog op proef geweest bij FC Utrecht, maar dat is uiteindelijk niet doorgegaan. Uiteindelijk hebben wij in de zaal hoog niveau kunnen halen. Wij waren gewoon lekker aan het voetballen en hadden niet altijd door hoeveel impact wij hadden. Ik vond het leuk om in de Groenoordhal te spelen. Vanwege de harde ondergrond had je daar extra veel techniek nodig. Dat lag ons goed. Na mijn periode in Moordrecht heb ik nog bij De Rozet in Rozenburg en bij Margriet gespeeld. Op mijn veertigste ben ik gestopt. Ik ben later nog jeugdtrainer hier in het dorp geweest en ik voetbal zo nu en dan nog met vrienden. Het huidige spelletje met die plofbal vind ik minder aantrekkelijk. Ik word nog steeds wel herkend. Ik ben trots op mijn gouden schoen. Soms is er nog weleens een familielid die hem wil zien.‘

Cees de Roode:  ,,Wij hadden een heel sterk elftal. Wij werden zo vaak kampioen, dat wij op een gegeven moment in de top van Nederland speelden.”

 

Cees de Roode (71) begon op jonge leeftijd bij VNA, waar al snel bleek dat hij over heel veel talent beschikte. Hij speelde onder andere voor UVS, Roodenburg, LFC, ZLC en LDWS. Hij werd gescout door Ajax, maar dat was niet bepaald zijn club. Ook het Haarlem van Barry Hughes probeerde hem binnen te halen, maar Cees miste bij die club het goede gevoel. Bij LDWS belandde hij met zijn elftalgenoten in de zaal.

‘Wij hadden een heel sterk elftal. Wij werden zo vaak kampioen, dat wij op een gegeven moment in de top van Nederland speelden. Wij waren een paar keer dicht bij de landstitel, maar er was veel concurrentie uit bijvoorbeeld Volendam. Op een gegeven moment werd in ’74 of ’75 voor het eerst een Nederlands team geformeerd. Ik werd uitgenodigd voor de allereerste wedstrijd in Den Helder. Dat was echt heel eervol. Zaalvoetbal was toen echt een spelletje waar veel techniek en voetbalvermogen voor nodig was. Je mocht pas vanaf een bepaalde afstand schieten, dus je moest door te combineren voor het doel komen. Ook aan de Groenoordhallen denk ik met veel plezier terug. Er stonden soms wel duizenden mensen bij onze wedstrijden. Bij belangrijke duels werden er tribunes neergezet. De ondergrond was hard, maar met een goede techniek kon je daar prima voetballen. Die plofbal die tegenwoordig gebruikt wordt vind ik niks. Ik kijk terug op een voetballoopbaan met veel hoogtepunten. Als veldspeler speelde ik met Roodenburg om de landstitel. In de zaal zal mij die wedstrijd van Oranje altijd bijblijven. En als trainer bracht ik de regionalen van UVS van de 3e naar de 1e divisie. En ja, ik ben nog steeds actief. Ik geef training en doe op donderdag aan Walking Football. Ik blijf gek van het spelletje.’

Jan van der Reijden (67) is net vier maanden met pensioen. De rasechte Leidenaar was in de jaren ’80 en ’90 een legendarische zaalvoetballer. Als de bal eenmaal aan zijn linker voet kleefde, dan kwam de tegenstander er niet meer aan te pas. Ondanks het feit dat hij inmiddels een kunstknie heeft, is hij nog volop actief. Jan is selectietrainer bij Roodenburg, speelt Walking Football bij UVS en speelt nog een paar keer per week tennis.

‘Ik heb mooie tijden meegemaakt in het voetbal. Op het veld speelde ik voor Lugdunum, Unitas Leiden en Randstad Sport, bij Cor Pennenburg. Zaalvoetbal was echt mijn spelletje. Ik begon bij Swift Leiden en speelde daarna bij De Tegelhandel, waarmee wij de Nederlandse beker wonnen. Na Van Rooyen Kaas kwam ik bij Ceverbo uit Dordrecht terecht. Dat was een topteam met meerdere internationals, waaronder Arie Riedijk. Dat was echt een topper, maar ook een hele aardige gozer. We werden bijna kampioen van Nederland, maar werden in de halve finale uitgeschakeld door Hovocubo. Verder heb ik nog bij Inter Ju, Zwarte Wolf en Martin Centrum gespeeld. Met dat laatste team promoveerden wij van de 1e klasse naar de eredivisie. Samen met Ben de Roo heb ik een periode bij het Nederlands team gezeten. Dat was heel bijzonder om mee te maken. Op mijn 39e ben ik gestopt. De techniek had ik nog wel, maar de explosiviteit nam af.

Het huidige zaalvoetbal is veel minder leuk om te kijken. Het is meer verdedigen en de uitslagen zijn klein. Wij speelden puur op techniek en met een gewone bal. Vroeger als wij in de Groenoordhal speelden kwamen er wel 2.500 tot 3.000 toeschouwers. Dat asfalt was in het voordeel van de aanvallers. Als je er op snelheid langs ging, was de tegenstander gezien. Als hij dan een overtreding maakte, zat hij meteen 5 minuten op de strafbank. Nog altijd spelen wij Walking Football op donderdag bij UVS. Dan komen oude Leidse voetballers en trainers als Cees de Roode, Ruud de Groot en Bert Kort bij elkaar. Dat is echt nog mooi om te doen. Ja, ik blijf een echte voetballiefhebber.’

Cees Damen (65) is bekend als verzorger van VVSB en (vroeger) ZZ Leiden, maar hij heeft ook een imposant sportleven achter de rug. Hij werd zowel Nederlands- als wereldkampioen powerliften. Daarnaast was hij in de jaren ’80 topkeeper in de zaal. Bij Scagha’66 en Hoornse Veerhuys speelde hij in de top van Nederland.

‘Ik ben in de zaal begonnen bij Salao in Schagen. Daarna ben ik overgestapt naar het gerenommeerde Scagha’66. Het zaalvoetbal in Noord-Holland was heel erg populair. De sport werd voor het eerst beoefend door de Marine in Den Helder, waarna het zich verspreidde over de rest van Nederland. Alle topspelers die op het veld bij grote clubs speelden, kwamen ook uit in de zaal. In onze regio stikte het van de internationals. Ik kan mij de wedstrijden in Leiden nog goed herinneren. In de Groenoordhallen hingen van die grote netten tussen de velden. Als veldkeeper was je gewend om naar ballen te duiken. Dat was op het asfalt van de Groenoordhal een slecht idee. Als ik naar Leiden moest voor een wedstrijd, dan hield ik er vooraf al rekening mee. Ik deed dan een lange broek aan en extra beschermers voor alle delen waar ik op kon vallen. Eigenlijk stond ik daar meer als een handbalkeeper in het doel. Als je toch een keer verkeerd terecht kwam, stonden de brandblaren op je lijf. Het was toen nog een mooi, aantrekkelijk en technisch spelletje. Tegenwoordig met die plofbal vind ik er niks meer aan. Toen ik een paar jaar geleden naar de bekerfinale ging en zag dat zelfs slidings waren toegestaan, kon ik mijn ogen niet geloven. Maar goed, ik heb prachtige herinneringen aan die mooie tijd.’

Cees Damen: ,,Als veldkeeper was je gewend om naar ballen te duiken. Dat was op het asfalt van de Groenoordhal een slecht idee.”

Wordt er nog wel in de zaal gespeeld? Jazeker, neem gerust eens een kijkje op: https://sieraabc.nl/

Theun van Tol (77) was coach, sponsor en voorzitter van SV Eigeman uit Voorschoten. Met zijn team promoveerde hij in de jaren ’80 van de 4e klasse naar de Hoofdklasse. Met veel plezier kijkt hij terug naar die goede ouwe tijd.

‘In de jaren ’80 hadden alle snackbars en ijssalons wel een zaalvoetbalteam. Ik was samen met mijn vrouw Jenny eigenaar van IJssalon Eigeman in Voorschoten. Ik vond het hartstikke leuk om een team op te richten. Bij Eigeman speelden spelers van SVLV, Randstad Sport en SV Voorschoten. Destijds gingen veldvoetbal en zaalvoetbal hand in hand. Soms waren de veldtrainers weleens boos, als wij een wedstrijd moesten spelen op een trainingsavond. Bij ons speelden een aantal van de beste Voorschotense spelers, dus uiteindelijk kwamen wij er wel uit. Onze spelers werden niet betaald. Nog sterker, ze moesten contributie betalen. Wat dat betreft waren wij echt wel een uitzondering. Zaalvoetbal leefde enorm in de regio. Ik kijk met heel veel plezier terug op die periode.

Theun van Tol: ,,Zaalvoetbal leefde enorm in de regio. Ik kijk met heel veel plezier terug op die periode.”

Must Read