Op de lagere school was er iemand in de klas aan het klieren. De meester werd boos en wilde weten wie de boel van eieren aan het maken was. Niemand stak zijn hand op. ‘Wanneer de dader zich niet meldt, krijgt de hele klas straf’, klonk het dreigend. ,,Omdat niemand zich meldde, heb ik mijn vinger maar opgestoken. Ik had niks gedaan, hè. Ik weet nu, tientallen jaren later, nog steeds niet waarom ik de straf, welke weet ik niet meer, op mij nam.” Dat is één deel van het verhaal dat Frans Brocken smakelijk opdist. Dit is het vervolg: ,,Ik ben de biografie van PvdA-voorman Joop den Uyl aan het lezen en wat lees ik? Ik kon mijn ogen niet geloven. Daarin staat dat Den Uyl precies hetzelfde als ik heeft meegemaakt. Ook hij offerde zich op, want hij vond het niet nodig dat een hele klas, een mannetje of 36, moest opdraaien voor één potsenmaker.” Toen de klas zich tegen hem keerde, barstte Joop in snikken uit. (Joop den Uyl 1919 0 1987 – ‘Dromer en Doordouwer’, bladzijde 15).

Rooms-katholiek

Frans Brocken is een echte DoCoS-man. De roodwitte-vereniging, in zijn tijd spelend aan de Haagweg tegenover Houthandel Noordman, volgt hij nog steeds. Wanneer Frans daar langs rijdt en het studentencomplex (De Sterflat) ziet, denkt hij terug aan de mooie jaren, als speler, de man van de toto Haagweg/Mors en als bestuurslid. DoCoS was een echte rooms-katholieke (rk) club. Op zondag werd er pas vanaf 12.00 uur gevoetbald. ,,Op die dag ga je immers eerst naar de kerk”, weet hij.

DoCoS had ook een ‘geestelijk adviseur’, pater Moons, die de rk-identiteit bewaakte, een Franciscaan, gekleed in een bruine pij. Pater Moons kwam iedere zondag naar het eerste kijken.

Het was ondenkbaar dat een rk-jongen bij voorbeeld ging voetballen bij LFC, Lugdunum of UVS. Bij VNL was het lidmaatschap ook toegestaan. VNL, met hoofdonderwijzer Van Schie als voorzitter, had ook de rk-signatuur.

Frans Brocken, geboren in 1929, woonde in de Da Costastraat op één hoog, kwam uit een keurig rk- gezin, dat – het zal niemand verbazen – acht kinderen telde. Frans was nummer zeven.

Kwikzilver

Om de hoek lag het veld van DoCoS, een weilandje waar de schapen en koeien van boer Paardekooper liepen. ,,Dat betekende dat wij altijd eerst het veld strontvrij moesten maken,” vertelt Frans, “dat gebeurde met een vrij grote, brede schop. Je schoffelde dan zo’n vlaai compleet op en deponeerde die buiten de lijnen.”

Terreinknecht was Toon Alberts. Hij woonde in een klein huisje naast de opslag van Noordman. Toon was getrouwd met een meisje van Smit, de zus van de keeper van de hoofdmacht. Hij was een bekende figuur in de stad, weet Frans: ,,Toon droeg het vaandel van de Sint Franciscus Band, in deze tijd van secularisatie FBL geheten, Sint Franciscus is veel te rooms.” Alberts liep een beetje gebogen en enigszins uit de maat. Maar dat terzijde. Voor zijn grote verdiensten voor DoCoS (Door Combinatie Sterk) is een plein op het huidige complex aan de Haagse Schouwweg naar hem vernoemd.

,,Ik was een goede voetballer, stond meestal rechtshalf,” weet Frans. ,,Ik moest het van mijn techniek en snelheid hebben. Ik werd daarom ‘kwikzilver’ genoemd.” Vreemd is het dan dat trainer Matla hem ook weleens als stopperspil opstelde. Voor die positie heb je een geblokte speler nodig, die moeilijk of niet te passeren is. Een rouwdouw die ontzag afdwingt. Frans noemt de wegen en keuzes van trainers ‘soms ondoorgrondelijk’.” Dat Matla de achterhoede versterkte met de helaas veel te vroeg overleden Leo van Teylingen kon ik me heel goed voorstellen. Leo was een sjouwer, werkte negentig minuten en haalde altijd een zeven of acht, nooit minder.”

Frans Brocken deel 1

Bijschrift: Frans Brocken was met zijn Netty een van de eerste leden van Badmintonvereniging De Spotvogels. Frans, mede-oprichter van De Boulende Stier, ook de man die een veld en clubhuis tot stand bracht. Als zeilers maakten ze naam in de Centauer- en Pampusklasse. Van voetbaltrainer Bas Wallaard kreeg Frans geen kans zich te laten zien in het elftal van de Universiteit. Frans’ chef, Bob Logger, die door ‘kwikzilver’ in een oefenwedstrijd uit het veld werd gespeeld, wel.

Lastig mannetje?

Diezelfde Matla wisselde Frans regelmatig. In die tijd stonden de coaches niet langs de lijn om de speler een handje of een klapje op het kontje te geven. Niks daarvan. Wanneer Frans het veld verliet zei Matla steevast: ‘Je werkt niet hard genoeg’. ,,Men verweet mij soms een lastig mannetje te zijn”, herinnert Frans zich nog levendig. ,,Maar dat was ik niet. Ik vroeg altijd veel, dat kon als lastig ervaren worden.”

Hij heeft meteen twee voorbeelden paraat. ,,Wij gingen elke dag naar de kerk, de Leonardus Kerk aan de Haagweg. Pastoor De Leeuw, die op handen werd gedragen, leidde de dienst. Iedereen kreeg een misboekje, maar ik niet. Ik kocht er dus een. Toen de boekjes werden opgehaald, wilde hij het mijne hebben. ‘Krijgt u niet, heb ik zelf gekocht’, zei ik. Commotie alom. En dan: ,,Op de lagere school liep het niet lekker. Misschien kreeg ik te weinig aandacht of sprak de manier van les geven mij niet aan. Ik haalde alleen maar lage cijfers. Toen ben ik naar de Buiten School in Katwijk gegaan, kreeg ik les in de duinen. Mijn meester, meneer Hartman, heeft mij daar klaargestoomd voor de HBS. Op die school kregen we ook te eten, en dat smaakte in de jaren veertig. Toen was er nog veel schaarste.”

Hij wil nog een anekdote kwijt: ,,Ik zat op het jongenskoor, werd er afgeschopt, omdat ik te veel nagalmde.” Zijn moeder, die al jong weduwe werd, heeft altijd achter Frans gestaan en hem nooit gestraft. Wanneer hij dat zegt, schiet Frans even vol.

Kampioen

Nu durft Brocken wel toe te geven dat hij medespelers en tegenstanders irriteerde. De technisch begaafde en supersnelle roodwitter wist de bal vast te houden, schijnbewegingen te maken en de een na de andere speler te passeren. Ook al werd er vanaf de kant ‘afgeven’ geroepen, Frans bleek op die momenten Oost-Indisch doof te zijn.

Een, twee, drie mannetjes voorbij gaan is natuurlijk leuk, maar speel de bal dan ook af. Nee, adviezen van die aard waren niet aan hem besteed. Dan kon het gebeuren dat het vierde mogelijke slachtoffer dat irritante voetballertje in de heupzwaai nam; een verstandige scheidsrechter floot niet af.

Applaus en boe-geroep liggen dicht bij elkaar. Wanneer Frans dan weer scoorde, sloten de rijen zich en ging hij net niet op de schouders.

Dat gebeurde wel toen hij acteerde in het vierde elftal. Daar stond Bart van Leeuwen – de latere voorzitter van UVS – op doel. Hennie Stuifzand – nog zo’n echte DoCoS-fanaat – Matthieu van Marwijk en Frans speelden in een seizoen de sterren van de hemel en werden kampioen. Dat gebeurde op het Pomona-terrein, achter de Rijnsburgerweg.

Dat werd zeker een dolle boel? ,,Vergeet dat maar.” De teleurstelling is weer als de dag van gisteren op het gezicht te lezen. ,,Weet je wat kregen? Een glaasje cola van het bestuur. Tegenwoordig worden F-spelertjes bij een kampioenschap al onthaald op een bioscoopje, met daarna eten bij McDonald’s, het bijwonen van een eredivisiewedstrijd. Wij kregen te weinig, de huidige voetballertjes te veel, veel te veel.”

Verwend

Hoewel, Frans nuanceert: ,,Toen de Leidse Voetbal Bond nog bestond en DoCoS daar in de regionale competitie speelde, werd het vlaggenschip kampioen. Toen is er een feestje geweest in het Anthonius Clubhuis aan de Mare voor spelers, hun meisjes en vrouwen en supporters.”

Er staat hem nog een wedstrijd glashelder voor de geest. ,,Wij moesten naar Ter Aar, op de fiets hè. We stonden met 3-0 achter, zetten de turbo er op en kwamen, mede door een á la Neeskens ingeschoten penalty van Hennie Stuifzand op 3-3. Uiteindelijk wonnen we met 3-4. Het vierde doelpunt was een inswinger uit een hoekschop. Niemand had de bal geraakt, het leer vloog pardoes in de touwen.”

Lang niet iedereen had een auto in de jaren vijftig. Dus werd er naar Bernardus, Alphense Boys en noem al die clubs maar op, gefietst. Tegenwoordig rijden auto’s af en aan om spelers en spelertjes naar de velden te rijden. ,,Wat zijn ze toch verwend,” klinkt het dan. Om er eerlijk aan toe te voegen: ,,Maar daar wij hebben ook aan meegewerkt.”

Johan Verplancke trad op als leider van het vierde DoCoS-elftal, hij reed voorop en waar nodig fungeerde deze legendarische man als verkeersagent. ‘Heel Leiden en omgeving’ moet hem kennen. Johan bakte en verkocht onder de naam De Poorter brood en aanverwante meelproducten op markten. Trouw bezocht hij ook de thuis- en uitwedstrijden van DoCoS-1. Een grote, forse man, altijd smaakvol gekleed, voorzitter/regisseur van Toneelvereniging Vondel. Hij sprak met luide stem, uitstekend gearticuleerd. Men had ontzag voor hem.

Een wedstrijd van DoCoS op het Zwarte Pad eindigde grimmig. De handtastelijkheden gingen later buiten verder. Trek- en duwwerk. Iemand van de tegenpartij had de DoCoS-mannen voortdurend ‘papen’ genoemd. Toen wel, nu niet meer om je over op te winden. Er volgde een handgemeen. De tegenstander had een hazenlip en was gekleed in een gloednieuwe regenjas. Het roepen van ‘paap’ ging maar door. Johan Verplancke hield de groeiende groep toeschouwers op afstand en riep: ‘Laat de heren rustig vechten, alstublieft.’ En zo geschiedde. De tegenstander belandde via het gruis van het pad in een plas, hij zag er niet uit.

Voetbalpool

De prettig geboetseerde Netty Brocken, sinds jaar en dag de onafscheidelijke wederhelft van de voormalige voetballer, heeft samen met ‘the love of her life’ het interview voorbereid. Netty heeft in duidelijk handschrift bijzonderheden van Frans’ betrokkenheid bij DoCoS aan het papier toevertrouwd. Op de radio in de Bonte Dinsdagavondtrein zong charmezanger Eddy Christiani: ‘Als ik de hoofdprijs in de voetbaltoto win’. Netty en Frans gaven er een andere, voor DoCoS financieel zeer gunstige, draai aan. Netty vertelt: ,,Op vrijdagavond moest de voetbalpool bij de KNVB aan de Rijnsburgerweg worden ingeleverd. Stipt om 21.00 uur. Voor dat cruciale uur bezorgden de lopers hun pool. Pater Moons wilde altijd alles weten en schoof dus aan. De geestelijke werd onthaald op rosbief en stukjes fricandeau. Natuurlijk werd er ook een glaasje geschonken en een sigaar opgestoken.

DoCoS-leden als Frans Mentink, Van Zijp (voornaam even kwijt) en Hennie Stuifzand (daar is ‘ie weer) liepen wijken en kwamen de pool én het geld brengen. Nadat alles was nagerekend vertrok mijn man naar het KNVB-Bondsbureau. DoCoS was fel op de penning en haalde steeds zo´n 10.000 gulden per jaar op. Een fantastisch bedrag. De ophalers ontvingen 10 cent (geen eurocent, hoor) per ingeleverde pool. Ik ging met dikke buik, ik was in verwachting van ons eerste kind, langs de deuren om mensen lid te maken van de DoCoS-pool.”

In de tijd dat Frans spelend actief was voor DoCoS bestond het bestuur onder anderen uit voorzitter Piet Biegstraten en de leden Jacques van Steen, Wim de Blauw en Koos Bavelaar. Frans nam het voetbalpoolcommissariaat (fijn scrabblewoord!) voor zijn rekening.

Frans Brocken moest op een bepaald moment kiezen: doorgaan in het voetbal, bij voorbeeld als profvoetballer, of kiezen voor een maatschappelijke loopbaan. Het werd het laatste. Een goede keuze. Frans maakte carrière bij Universiteit Leiden. Dat niet alleen. Frans werd ook sportjournalist. Het is dan juli 1976. In de Leidse Courant verschijnt zijn eerste artikel, met als kop: ‘Volendamse paling voor gepromoveerd RCL’.

Vanaf dat moment is hij de huisjournalist van deze Leiderdorpse – ook roodwitte – voetbalvereniging. Frans Brocken volgt en verslaat nog steeds alle thuiswedstrijden en wanneer hij ‘lichtelijk ongesteld’ is, heeft hij zijn ogen en oren op de tribune zitten. W.I.K. van den Wijngaard – over hem later meer in deze rubriek – belt dan het wedstrijdverloop door. Zoals onlangs toen RCL in het veld kwam tegen Westlandia. Frans had het toen te pakken, griep. De medicijnen, aangereikt door zijn lieftallige echtgenote en voormalig verpleegkundige ( “Netty is zuster Augustine”) , missen hun uitwerking niet. Frans is kwiek, fris en fruitig, wanneer uw www.leidenamateurvoetbal.nl-interviewer zich stipt meldt.

Het interview loopt ten einde. Er wordt naar buiten gekeken, de golfjes klotsen tegen de kademuur, er wordt gemijmerd over de naderende kerstdagen, de koffie is van excellente kwaliteit. Opeens weet Frans het, hij onderbreekt het gesprek en roept: “Solist, dat is het woord waar ik steeds naar zoek. Ik ben een solist, mijn hele leven al.”

Wat Frans Brocken ook is, hij is een amusant causeur, weet veel, is nog steeds haantje-de-voorste wanneer hij voor het Leiderdorps Weekblad zijn verhalen maakt. 85 Jaar. Zo willen wij allemaal wel ouder worden! ,,Ik heb nog één anekdote, die de moeite waard is voor je verhaal,” probeert hij.,,Het gaat over meisjes die aan het douchen zijn.” Nee, Frans, het is mooi geweest. Je was weer in vorm. Bedankt!

En bij de deur van zijn riante en met smaak ingerichte appartement, zegt hij: ,,De meester wilde mij een klap geven, maar ik bukte op tijd….”

Frans Brocken, Ronald Koeman en kleinzoon

En omdat Frans het zo graag wilde ook nog een artikel van zijn hand. Het bloed kruipt waar… (uiteraard m.b.t. deze foto, recent genomen op bezoek bij Ronald Koeman).

In de catacomben van Southampton FC
door Frans Brocken

De voetbalwedstrijd Southampton – Leicester City als verslaggever bijwonen en trainer/coach Ronald Koeman ontmoeten. Een stunt waar wij onze hand niet voor omdraaien. Wij woonden zaterdag 8 november, in gezelschap van zoon en kleinzoon, de wedstrijd vanaf de perstribune bij. De wedstrijd werd met 2-0 in het voordeel van de Saints beslist. Southampton heeft nu de tweede plaats vast in handen. Met vier punten achterstand op Chelsea.

Een VIP-behandeling viel ons ten deel. Het hoofd van de stewards, mister Keith, bracht ons naar het spelershome gelegen onder het immense stadion, waar we Koeman konden spreken en feliciteren met de overwinning. Hij had ook nog tijd voor een fotomoment. Een dag eerder, vrijdag, waren we aangekomen in Brighton. Een vlucht met Easy Jet bracht ons naar Gatwick Airport. Reizen per trein in Engeland is geen eenvoudige zaak. Engelsen hebben een voorkeur voor in de rij staan. Voor de loketten staan lange rijen. Het geduld van de wachtenden lijkt eindeloos. Britten vallen op door beleefdheid. Daar kunnen wij Nederlanders nog wat van leren. Vergeleken met Engelsen zijn wij maar een stelletje botteriken. Nee, u hoeft zich niet aangesproken te voelen. Zelf ben ik iemand die altijd haast heeft. “U dringt voor”, is een opmerking die ik wel eens heb moeten incasseren. Dat zal je in Engeland nooit horen.

Een kaartje kopen lijkt een hopeloze zaak. Even verderop blijken er ook automaten te zijn. Opnieuw lange rijen, in banen geleid door linten. Dat gaat iets sneller. Mede omdat er suppoosten zijn die een helpende hand bieden. Zo creëer je ook werkgelegenheid. In Brighton waar kleinzoon Freek Engels studeert logeren we in The Old Ship Hotel. Het hotel dat oude glorie uitstraalt is gelegen aan de boulevard van de Zuid-Engelse badplaats met uitzicht op de beroemde pier. Dat wel op de monumentenlijst staat maar niet meer de grandeur van voorheen heeft. Het doet dienst als attractiepark. Een reuzenrad bepaalt aan de voet van de pier het strandbeeld. Brighton is een grote gezellige stad met een levendig centrum.

De pubs stralen traditie uit. Het bier is door gebrek aan schuim niet te drinken. Maar gelukkig zijn er ook taps waar het heerlijke heldere gerstenat uitstroomt. Maloney’s Bar is een plek waar voetballiefhebbers elkaar ontmoeten. De oudste pub is zonder twijfel The Cricketers uit 1547. Wie meent, dat Engelsen hechten aan tradities, conservatief zijn en zich beleefd opstellen hebben volkomen gelijk. Een weekend Brighton legde alle vooroordelen weer bloot.