Er wordt beweerd dat iedere jonge voetballer droomt van een glansrijke profcarrière. Na het zien van de vierdelige documentaire ‘Voetbaldromen’ van de NOS vraag ik me af of dit echt wel zo is, of dat het de droom is van een voetbalouder dat zoon- (of dochter) lief de wereld van het profvoetbal instapt.

Diverse amateurclubs tuigen, naar zij zeggen in het belang van het kind, een jeugdafdeling op met spelertjes uit de (directe) omgeving. Deze spelers zouden daar baat bij hebben omdat deze clubs met hun jeugdelftallen veelal uitkomen in de hogere klassen van het jeugdvoetbal. Daarnaast koketteren zij met het feit dat zij niet zelden als doorgangshuis dienen voor spelers die door willen stromen naar (de jeugdafdeling van) een BVO. Mooi gebracht maar degene die er uiteindelijk het meeste baat bij heeft is de club zelf, die ontvangt namelijk de opleidingsvergoeding wanneer een speler daadwerkelijk het betaald voetbal heeft gehaald.

Wanneer een (jeugd)speler uit eigener beweging overstapt heb ik daar geen enkele moeite mee. Met het ‘ronselen’ van spelers echter wel. Om regionale talenten te ontdekken sturen zij scouts naar verenigingen in de buurt en benaderen zij (ouders van) talenten om over te stappen naar hun vereniging, waarbij de fatsoensregels helaas niet altijd in acht worden genomen.

Als voormalig jeugdvoorzitter en voorzitter van een Bodegraafse voetbalvereniging werd ik in het verleden meerdere malen verrast door ouders die mij mededeelden dat hun zoon ‘gevraagd’ was door een club die hemelsbreed, pakweg, 10 kilometer verderop speelde. En nee; dat waren niet altijd spelers van een jaar of twaalf of ouder maar regelmatig kinderen jonger dan tien jaar.  In bijna alle gevallen volgde ook een daadwerkelijke overschrijving waarbij als motivatie werd gegeven dat men (pa en ma) deze kans niet wilde laten lopen.

Helaas lukt het slechts een enkeling om daadwerkelijk door te breken. De rest probeert een plekje in de selectie van de senioren te bemachtigen of zoekt teleurgesteld haar heil bij een andere vereniging omdat zij vooral niet ‘met hangende pootjes’ willen terugkeren naar hun oude club. Deden ze dat wel dan bleek dat de aansluiting met vroegere teamgenoten vaak moeizaam verliep.

Mijn ervaring (niet alleen met mijn eigen kinderen) is dat kinderen lid worden van een vereniging omdat zij voetballen leuk vinden en bij een club met hun vriendjes kunnen samenspelen. Het feit dat teamsport goed is voor hun sociale vorming is mooi meegenomen.

Ik vroeg destijds of de ouders goed nagedacht hadden over de consequenties. Het feit dat zij hun kind viermaal per week naar een training of wedstrijd moesten begeleiden, namen zij voor lief. Voor je kind heb je immers ‘alles’ over. Maar of zij goed nagedacht hadden over het feit dat zij hun kind uit hun eigen, veilige en sociale omgeving haalden betwijfel ik, net zo goed als dat ik mij afvroeg of zij zich realiseerden dat er bij de nieuwe club veel meer van het kind werd verwacht. ‘Mogen’ werd vervangen door ‘moeten’ bij prestatiegerichte jeugdafdelingen van niveau.

In de documentaire werden onder anderen twee jeugdspelers van nabij gevolgd. Bij beide spelers lag de focus op een voetbalcarrière waar alles voor moest wijken. Wat mij daarbij opviel was dat beide spelers niets van jeugdige onbevangenheid en plezier uitstraalden. Het leek wel of het verwachtingspatroon van hun omgeving hen volledig in hun macht had, de focus lag volledig op het presteren en de ongeïnteresseerdheid voor ander zaken, zoals school, droop er van af.

Taffi, een speler van de jeugdopleiding van Sparta, had een langdurige slepende blessure. De meest tijd bracht hij door bij de fysiotherapeut. De enige keer dat hij vrijuit een balletje trapte was in een voetbalkooi vlak bij huis. Zijn angst om af te vallen was zo groot dat hij zichzelf forceerde met een nieuwe slepende blessure als resultaat. Zijn moeder erkende dat haar zoon ongelukkig was en al enige tijd met zichzelf in de knoei zat. Niet zo heel vreemd als je weet dat je club ieder seizoen meer dan de helft van haar jeugdspelers ‘van de club af trapte’ zoals zijn jeugdtrainer Pjotr van der Marel nogal plastisch opmerkte. Als je als 14-jarige puber onder deze druk moet presteren vind ik dat niet vreemd.

Zijn (ongeïnteresseerde) houding op school kan niet alleen geweten worden aan het feit dat hij een puber was. Vierentwintig uur per dag hing de beoordeling van zijn voetbalprestaties als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Een totale depressie werd voorlopig voorkomen omdat de club besloot om hem vanwege zijn blessure nog een tweede kans te geven.

Nick, een jeugdspeler van Alphense Boys die in aanmerking kwam om toegelaten te worden voor de jeugdopleiding van Feyenoord, besloot samen met zijn ouders (of moet ik zeggen door zijn ouders) te kiezen voor een opleiding die hem makkelijker afging zodat hij zijn energie volledig in het voetbal kon steken. Pa en ma hadden, zelfs toen nog niet zeker was dat hij in Rotterdam zou worden aangenomen, al uitvoerig geïnformeerd hoe andere ouders van jeugdspelers hier mee omgingen. Terwijl hij, op weg naar een stagetraining, doodstil op de achterbank zat ‘pompte’ pa er de hele reis allerlei, zonder twijfel goedbedoelde, adviezen bij hem in; ondertussen steeds maar herhalend dat het om zijn (Nick’s) toekomst ging. Hoezo druk van je ouders?

Kenmerkend vond ik ook de reacties die te zien waren bij het horen van het ‘blije’ nieuws dat Nick was toegelaten. Waar vooral zijn pa compleet uit zijn dak ging en later zelfs in huilen uitbarstte reageerde hij zelf onderkoeld. Ook bij het ‘tekenen’ van zijn overeenkomst een het bijbehorende fotomoment was pa duidelijk een stuk uitbundiger dan zoonlief. Van enige vreugde en blijdschap was bij Nick niets te merken.

Ik schrok vooral van het geringe aantal spelers wat na al die jaren en al die druk die op hun schouders lag daadwerkelijk een loopbaan als profspeler wist te realiseren. Maar ook hoe ingrijpend het was en de ingrijpende gevolgen die het met zich meebracht voor spelers die te horen hadden gekregen dat de club ‘afscheid’ van hen nam.

In de documentaire werd door een psycholoog aangegeven dat ‘de afvallers’ veelal ‘in een gat vallen.’ Niet alleen is er in het verleden geen of weinig aandacht geschonken aan een plan B maar zij raken in een klap alles kwijt; hun toekomstperspectief, hun bijzondere positie in de reguliere maatschappij, hun status als voetbaltalent en veelal ook hun (zelf) vertrouwen. In tegenstelling tot de begeleiding die zij tot dusverre gehad hadden, worden zij aan hun lot overgelaten, waardoor menigeen van hen psychische problemen krijgt. Als daar geen goede opvang voor is geregeld kan dat zelfs uitmonden in depressies, zelfmoordneigingen en/of verslavingen.

Natuurlijk zijn er ook voorbeelden van succesvol verlopen voetbalcarrières, jongens die het hele pad hebben afgelegd. Ik hoop voor Taffi en Nick dat zij als voetballer zullen slagen, al was het alleen maar om de hoge verwachtingen die anderen van hen hebben waar te maken. Taffi zal dit in ieder geval niet doen onder leiding van Van der Marel. Deze gaf in de documentaire aan dat hij zich niet langer kon vinden in de wijze waarop er met jeugdspelers wordt omgegaan.

Deze documentaire maakte duidelijk dat er van ouders, broertjes en zusjes veel wordt gevraagd. Alles moet opzij worden gezet voor het welslagen van de carrière van een van de gezinsleden. Maar bovenal dat het bijna onmenselijk veel van het kind zelf vraagt.

Een voetbalcarrière klinkt als een sprookje maar is niets anders dan onder grote druk jarenlang hard werken. Daarom vraag ik ouders; leg uw kinderen dit niet allemaal op om uw eigen droom te verwezenlijken. ‘Bezint eer gij begint’.

Voormalig docent en onderwijsmanager aan de Politieacademie, actief scheidsrechter voor de KNVB, ruim 12, 5 jaar actief geweest in de top van het amateurvoetbal. -Voormalig docent arbitrage bij de KNVB, voormalig trainer en jeugdleider, voormalig voorzitter van zondag 2e klasse ESTO. Reageert kritisch en direct op ontwikkelingen binnen het (amateur) voetbal en benut daar columns voor die regelmatig te lezen zijn op LAV.